Ontsnapkunde

Oktober 2016

“Oooo jaa, dat is toevallig hier mijn lievelingscafé Café Cognac”, zegt ze met een uitgedroogde mond tegen die man bij wie ze een beetje aan zijn arm hangt, een soort half hangen. Café Cognac, daar gaan ze binnen op dit middaguur. Bij het vooruitzicht van een lekkere bel alcohol zo meteen, een ontsnapping uit de sleur, twinkelen haar ogen al op haar vel van opgedroogde aarde.

Als ik aan mijn lief zeg dat mijn volgende stukje over escapisme zal gaan vraagt hij of ik de ontsnapkunst bedoel ? Nu komt het wel vaker voor dat wij mekaar een beetje anders begrijpen, meestal ligt dat dan aan onze geografisch verschillende variant van het Nederlands, maar natuurlijk, de ontsnapkunst, de kunst van het ontsnappen, dat is eigenlijk wel mooi, ik proef het woord nog even na en vind het zoveel mooier dan escapisme, een woord dat eerder lijkt op een soort aangeboren aandoening waar niet veel tegen te doen valt.

Al een paar weken voel ik iets door mijn lijf meanderen. Ik staar ’s ochtends met een stomme glimlach door het treinraam, huizen en velden passeren maar mijn gedachten zijn ergens in het Noorden, bij een berghut met een poes en een hond op een wollen dekentje, de geur van kaneelkoek en een dikke laag sneeuw op het dak. De volgende dag is die drang er terug en de dag erna ook, de ganse week lang, het is geen bevlieging blijkbaar. Ja, ik droom er blijkbaar echt van om eens alles achter te laten en een brok tijd door te gaan brengen tussen de rendieren en het spinnenwiel.

’s Morgens de hond uitlaten in een bos waar de stilte nog slaapt in de bomen, waar het enige geluid dat je hoort, het knerpen van je schoenen is op de sneeuw en het stille hijgen van de hond. Een enkele buur tegenkomen die druk is met de reparatie van het dak of het hakken van een boom, samen met de buurvrouw kaneelkoeken bakken en eindeloze dagen de tijd om te schrijven en door het raam te turen, weg uit mijn saaie leventje van rondjes lopen, op en af naar het werk, in het weekend op café en een wandeling in het bos. Het voelt allemaal zo echt dat het bijna lijkt alsof het ook staat te gebeuren.

In de roman die op mijn nachtkastje ligt, heeft het hoofdpersonage de ontsnapkunde in de praktijk gebracht, een hogere vorm ervan, namelijk die zonder plan. Ze is gewoon op een dag vertrokken, man, werk en haar hele New Yorkse leven achterlatend, in de sporen van het wildebeest dat in haar woont. Dat beest vanbinnen maakt dat ze rare snuiters aanspreekt zonder angst, dat ze plots beseft dat de nacht eraan komt en slaapt in tuinhuisjes en onder bomen en dat ze ’s morgens weer haar duim uitsteekt, ze leeft van de hemelse dauw en ontsnapt aan elke zorg of verplichting.

Het boek gaat, vanop het nachtkastje, mee de handtas in.

Na vele omzwervingen weet ze nog altijd niet waarom ze op pad is gegaan, haar leven dwarrelt een stukje verder, ze verliest bladeren, ze verliest pluimen maar ze is onderweg met haar wildebeest en dus legt ze geen verantwoording af, aan niemand. Het verhaal tapt recht in mijn onderstroom, ik ben geboeid door wat ze doet, zo zorgeloos.

Als ik het boek op de trein dichtklap en de laatste pagina’s nog eens herlees, heeft haar verhaal mijn eigen ontsnapkoorts op miraculeuze wijze doen bevriezen, ik voel nog vaag iets in mijn buik kriebelen maar die onderstroom die zo griezelig echt aanvoelde, als een droom die dwingend aan mijn deur kwam kloppen, is weg.

Ach, of ik nu, ergens onderweg naar Brussel een koffietje doe op een bank of ik spreek iemand aan op straat, of ik zit bij het haardvuur in mijn stuga en doe een praatje met de houthakker, eigenlijk is er weinig verschil, elke dag ben ik toch weer op avontuur in de dag. Zo malcontent ben ik niet eigenlijk, liever maak ik elke dag een ander mini-ontsnappingkje uit de alledaagsheid, dan dat ik resoluut de deur dichtgooi en het bos in ga.

Met dat nieuwe inzicht loop ik een beetje door de stad te zwerven, ze is me al opgevallen, dat dametje met die prachtige mantel aan, een mantel die lijkt op een dekentje van een hut in het Noorden, kleurrijk geel, rood, paars en groene strepen, fantastisch. Ik doe wat kleine boodschappen en plots staat ze weer voor mij, nu parkeert ze haar fietsje tegen de gevel. Ik complimenteer haar meteen met die mantel. “Ach, weet u, ik heb hem zelfgemaakt, ik maak al mijn kleren zelf, heb er ook een blauwe maar die is wat saai, dat was niet de mantel voor vandaag! “

Haar ogen lachen ondeugend. Zo elegant en vrolijk wil ik ook wel elke dag aan de sleur ontsnappen.

Mijn wildebeest is duidelijk gaan liggen op dat geblokte dekentje, luilekker bij dat verre haardvuur, vast met een cognacje bij de hand.

sofie@letterloof.be

Wil je graag op deze tekst reageren, mail me gerust!